Aanbevelingen bij de landelijke analyse Monitor BoekStart in de kinderopvang 2019

Gepubliceerd op: 1 oktober 2020 14:06

De Monitor BoekStart, die vanuit de Bibliotheek wordt afgenomen in de kinderopvang, meet het voorleesklimaat in peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. Daarnaast is er voor de kinderopvang een ander, breder instrument: de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK, Universiteit Utrecht/Sardes). Hiermee wordt van 2017 tot en met 2020 (met een mogelijke verlening tot en met 2025) de kwaliteit gemeten in de vier typen kinderopvang in Nederland: kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang.

Verbetering educatieve kwaliteit

De LKK 2017-2019 laat zien dat de kwaliteit in de Nederlandse kinderdagopvang is gestegen sinds 2012. Dit geldt vooral voor aspecten die betrekking hebben op de inrichting van de ruimte en de meer basale interacties tussen pedagogisch medewerkers en kinderen, gericht op emotionele veiligheid en welbevinden van kinderen.

De educatieve kwaliteit kan echter verder worden verbeterd. Dit heeft betrekking op zowel de kwaliteit van de materialen en het aanbod van activiteiten, als de wijze waarop pedagogisch medewerkers interacties gebruiken om kinderen aan te moedigen en ondersteunen in hun brede ontwikkeling. Hoewel de educatieve kwaliteit in de peuteropvang iets hoger is dan in de kinderdagopvang, wat mogelijk de van oudsher sterkere educatieve functie weerspiegelt, is ook daar nog ruimte voor verbetering.
Kwaliteit van de materialen, aanbod van activiteiten, stimuleren van interactie op de juiste wijze, precies hierop kan de Bibliotheek inspringen met het aanbod binnen BoekStart in de kinderopvang: een kwalitatief goede collectie en leesomgeving, activiteiten rond boeken en voorlezen, interactie door bijvoorbeeld met kinderen te praten met het boek als basis. Zo wordt de educatieve kwaliteit verbeterd door middel van verbetering van het voorleesklimaat.

Om dit te bereiken zijn op basis van de landelijke analyse van de Monitor BoekStart aanbevelingen geformuleerd met betrekking tot de Bibliotheek en met betrekking tot de kinderopvang.

Aanbevelingen met betrekking tot de Bibliotheek

1. Van de deelnemende locaties heeft nu 88% een voorleescoördinator (vorig jaar 89%) en wordt er bij 7% binnenkort een opgeleid. Bijna driekwart van de deelnemende locaties heeft een voorleesplan (71%). Uit de Monitor blijkt dat het hebben van een voorleesplan een cruciale factor is bij het creëren van een optimaal voorleesklimaat. De rol van de voorleescoördinator is belangrijk, bij zowel de dagopvang als de peuteropvang wordt vaker voorgelezen als vast programmaonderdeel op de groep als er een voorleescoördinator is. Bij de dagopvang wordt daarnaast ook significant vaker voorgelezen aan de hele groep. Bij de aanwezigheid van een voorleesplan zijn dezelfde positieve verbanden gevonden. Het advies is dan ook om er altijd voor te zorgen dat er in ieder geval een voorleesplan is, ook bij locaties waar nog geen voorleescoördinator is.

2. Investeer in opleiding en expertise van pedagogisch medewerkers om de kwaliteit van het voorlezen te verbeteren. Uit de Monitor blijkt dat bijna alle Bibliotheken de training Interactief voorlezen aanbieden (95%), terwijl daar in de praktijk nog onvoldoende gebruik van wordt gemaakt. In de peuteropvang zijn op een derde van alle locaties alle medewerkers geschoold in interactief voorlezen (32%), in de dagopvang veel minder (12%). Er is meer nodig dan aanbieden en informeren, dus zet in op een actief en minder vrijblijvend scholingsbeleid. Zorg ervoor dat pedagogisch medewerkers getraind worden en zich kunnen verdiepen in interactief voorlezen en taalstimulering. Maak concrete afspraken hierover met de kinderopvang en leg deze expliciet vast in het voorleesplan.

3. Ga in gesprek met de kinderopvang over de uitkomsten van de monitoranalyse. Gebruik de resultaten om speerpunten en concrete doelen te formuleren voor het komende jaar en leg deze vast in het voorleesplan. De uitkomsten van de landelijke analyse en ook die van de Bibliotheek zelf, lenen zich daarnaast ook goed om met het bibliotheekmanagement te bespreken en beleidsmatige zaken aan de orde te stellen. Maak hierbij gebruik van de informatie, tips en tools op BoekStartPro. Gebruik ook de actiegids aan de slag met mediaopvoeding in het overbrengen van het belang van het inzetten van digitale prentenboeken ter stimulering van de woordenschat bij jonge kinderen. Met behulp van deze actiegids kan het gesprek over dit onderdeel van mediaopvoeding goed worden gevoerd.
 

Aanbevelingen met betrekking tot de kinderopvang

1. Voorlezen is voor meer dan de helft van de pedagogisch medewerkers dagelijks een vast programmaonderdeel op hun groep, maar vaker bij de peuteropvang (65%) dan bij de dagopvang (54%). In de dagopvang leest men vaker spontaan voor (34% dagelijks) dan in de peuteropvang (31% dagelijks). Vooral het organiseren van activiteiten, maar ook het praten over een boek, het uitleggen van moeilijke woorden en het organiseren van activiteiten naar aanleiding van het voorgelezen boek gebeurt vaker op de peuteropvang dan op de dagopvang. Ruim een derde van de pedagogisch medewerkers leest ook voor aan een klein groepje kinderen (38%). Uit onderzoek van Mandel Morrow en Smith van Rutgers University blijkt dat interactief voorlezen in kleine groepen (3 kinderen) effectiever is dan in grotere groepen (>15 kinderen). Stimuleer pedagogisch medewerkers daarom om vaker in kleine groepjes voor te lezen. Een goede voorbereiding en organisatie zijn van belang bij interactief voorlezen. Er moet aandacht zijn voor de kwantiteit (frequentie en duur) alsmede de kwaliteit van het voorlezen. Investeer hierin door het bevorderen van de kennis en expertise van pedagogisch medewerkers. Maak gebruik van het opleidingsaanbod via de Bibliotheek: de training Voorleescoördinator en de training Interactief voorlezen.

2. Een grote meerderheid van pedagogisch medewerkers geeft aan nooit met digitale prentenboeken te werken. Weinig pedagogisch medewerkers (8%) werken minimaal een paar keer per week met digitale prentenboeken. Dat is jammer, want het bekijken van digitale prentenboeken heeft een aantoonbaar positief effect op de taalontwikkeling van jonge kinderen. Zorg er daarom voor dat digitale prentenboeken in het aanbod worden opgenomen. Uit de Monitor blijkt dat op peuteropvanglocaties mét voorleescoördinator ouders overigens vaker worden geattendeerd op digitale prentenboeken of educatieve apps, ook daar zien we de meerwaarde van de voorleescoördinator.
In de periode maart 2019 tot maart 2020 hebben zes bibliotheken door heel Nederland met tien kinderopvanglocaties intensief samengewerkt aan een stimuleringstraject rondom digitale prentenboeken en de Monitor. De bevindingen zijn samengevat in de brochure 'Eén grote bundeling van taalactiviteiten: effectief werken met digitale prentenboeken en de Monitor'. Ga voor inspiratie eventueel in gesprek met een ervaren locatie.

3. Er kan winst worden geboekt op het gebied van het betrekken van ouders bij het voorlezen en het signaleren van laagtaalvaardige gezinnen. In veel instellingen (61%) zijn geen afspraken gemaakt met betrekking tot de omgang met laaggeletterde ouders. Iets minder dan de helft van de pedagogisch medewerkers (48%) zegt te weten hoe ze laaggeletterde ouders kunnen herkennen. Het is belangrijk dat pedagogisch medewerkers beter worden toegerust zodat zij laaggeletterde ouders leren herkennen en weten welk aanbod er is voor deze doelgroep.
Pedagogisch medewerkers van de peuteropvang stimuleren ouders vaker om thuis voor te lezen (49%) en om naar de Bibliotheek te gaan (36%) dan pedagogisch medewerkers van de dagopvang (respectievelijk 19% en 10%). Ouders worden indien er een voorleescoördinator aanwezig is bij de dagopvang en de peuteropvang vaker gestimuleerd om thuis voor te lezen of om naar de Bibliotheek te gaan. Ook wordt er op de dagopvanglocaties mét voorleescoördinator vaker gepraat met ouders over het boek dat is voorgelezen. Maak alle ouders bewust van het grote belang van een levende (voor)leescultuur en een rijke taalomgeving in het gezin. Het is belangrijk dat pedagogisch medewerkers weten hoe ze (taalzwakke) ouders kunnen betrekken bij voorleesactiviteiten en kunnen stimuleren om thuis te voor te lezen.

Bovenstaande aanbevelingen zijn ook als download beschikbaar, klik hier om naar het document te gaan.